![]() |
| ||
Daarbinnen was het kaal. Toen groeide je een tijdje. "Krak" zei de eierschaal. Je stapte uit het dopje En keek eens om je heen. Je schudde met je kopje, Daar stond je nu: alleen. Je hebt een zacht geel lijfje. Dat is helemaal van dons En als je wil dan blijf je Gezellig wat bij ons. |
|
| De hele
wereld is versierd met nieuw en vrolijk leven. De dieren krijgen kindertjes Soms zijn het er wel zeven. De bloemen komen uit de grond, De blaadjes aan de bomen. Zo gaat dat elk jaar opnieuw: Het voorjaar is gekomen. |
De bloemen zijn verdord. De wind krijgt heel veel praatjes, Omdat het herfstweer wordt. Kastanjes, beukennootjes, Je vind ze overal. Dat zijn de herfstcadeautjes: Voor niets en niemandal. |
De wereld is weer blij. Je ziet het aan de bomen En aan de lammetjes in de wei. Je ziet het aan de bloempjes in het groene gras Ik wou dat het voor altijd heerlijk zomer was. |
Uit een
donker holletje Het wou de school zien en het ijs En daarom stak het eigenwijs Zijn kleine kopje uit de grond En keek de witte wereld rond. Maar hoei--het rilde van de kou. Gelukkig kwam daar toen een mevrouw, Die een mutsje breide en een das. Zo wachtte het bolletje tot het lente was |